afstanden
Uiterlijk
- af·stan·den
de afstanden mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord afstand
- ▸ Vanwege de sterke geur die hijzelf meent te ruiken, durft hi niet meer met het openbaar vervoer te reizen en loopt hij nu alle afstanden groot en klein.[1]
- ▸ Die vonden altijd plaats in het holst van de nacht, wanneer het kleine kamertje waarin hij sliep een onmetelijke grootte aannam als een transparante kubus die uit wordt geklapt: dan waren er alleen nog maar vlaktes en afstanden en die raakten begroeid en bewoond en het volk dat die vlaktes bewoonde, dat waren ook solitaire reizigers die hem in zijn eenzaamheid kwamen opzoeken.[1]
- Het woord afstanden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- 1 2 Safae el Khannoussi“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125