Naar inhoud springen

maire

Uit WikiWoordenboek
  • geatttesteerd sinds de 12de eeuw; afkomstig van zelfstandig gebruik van het Oudfranse bijvoeglijk naamwoord maire "groter", afkomstig van Latijnse nominatief maior "groter", de overtreffende trap van magnus "groot"; in Middeleeuws Latijn kwam het woord maior al voor met betekenis "dorpsrechter; burgemeester van een dorp" (10de eeuw). Oorspronkelijk kwam het woord samen voor met de cas régime maieur (zie modern Frans majeur), maar de woorden werden al vroeg in hun moderne betekenis gebruikt [1]
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  maire     le maire     maires     les maires  

maire

  1. (beroep) (politiek) burgemeester
  • mai·re

maire v

  1. moeder