maire
Uiterlijk
- geatttesteerd sinds de 12de eeuw; afkomstig van zelfstandig gebruik van het Oudfranse bijvoeglijk naamwoord maire "groter", afkomstig van Latijnse nominatief maior "groter", de overtreffende trap van magnus "groot"; in Middeleeuws Latijn kwam het woord maior al voor met betekenis "dorpsrechter; burgemeester van een dorp" (10de eeuw). Oorspronkelijk kwam het woord samen voor met de cas régime maieur (zie modern Frans majeur), maar de woorden werden al vroeg in hun moderne betekenis gebruikt [1]
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| maire | le maire | maires | les maires |
maire
- bourgmestre (België, Luxemburg)
- IPA: /'majɾe/
- mai·re
maire v
- ↑ maire (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
Categorieën:
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 5
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Beroep in het Frans
- Politiek in het Frans
- Woorden in het Occitaans
- Woorden in het Occitaans met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Occitaans