Naar inhoud springen

treden

Uit WikiWoordenboek
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
tredentredend
tredgetreden
trede
  • tre·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
treden
/'tre.də(n)/
trad
/trɑt/
getreden
/ɣə.'tre.də(n)/
klasse 5 volledig

treden

  1. ergatief met de voeten begaan
    • Zij traden op het toneel. 
  2. ergatief ergens heen bewegen
  3. overgankelijk tegemoet treden: naar iets of iemand lopen
     Maar als ik onzeker was, bijvoorbeeld tijdens onweer of bij steile afdalingen, probeerde ik anderen op te zoeken om het onheil niet alleen tegemoet te hoeven treden.[4]
  • [2] aan het daglicht treden
    bekend worden
  • [2] in het huwelijk treden
    trouwen, huwen
  • [2] in het klooster treden
    non of monnik worden
  • [2] in werking treden
    van kracht worden
  • [1] met de voeten treden
  • [1] met voeten treden

detredenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord trede
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord tred
     Ik houd me vast aan de smalle leuning en kijk omlaag; nog drie treden en ik ben er.[5]
     ' Met twee treden tegelijk storm ik de trap op.[6]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. treden op website: Etymologiebank.nl
  3. "treden" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  6. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be