Naar inhoud springen

woede

Uit WikiWoordenboek
Image
Jozef Delin op Wikipedia (nl) tekende dit gezicht dat woede laat zien.
  • woe·de
  • In de betekenis van ‘razernij’ voor het eerst aangetroffen in 1588 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord woede woedes
verkleinwoord - -

dewoedev/m

  1. (psychologie) gevoel van erge kwaadheid
    • De jongen kon zijn woede maar nauwelijks bedwingen. 
    • En nu kende mijn woede paal noch perk meer. Een vloed van woorden, louter wartaal en schimp, uitbrakend sprong ik weer op, greep mijn stoel aan en hief die in de hoogte.[3] 
     ' Het is zo prettig mijn woede te uiten, om eens even gevalideerd heel onhebbelijk te mogen zijn.[4]
     Het is niet eens de boosheid over hun slippertje die de boventoon voert, het zijn de jaren aan opgekropte woede over het gemak waarmee Annet een plek veroverde in ons familiesysteem, alsof het haar eigen familie was.[4]
vervoeging van
woeden

woede

  1. aanvoegende wijs van woeden
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]