Naar inhoud springen

bitter

Uit WikiWoordenboek
  • bit·ter
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen bitterbitterderbitterst
verbogen bitterebitterderebitterste
partitief bittersbitterders-

bitter

  1. vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
    • Dat was een vieze, bittere drank. 
     Ik kan me mijn eigen moeder nauwelijks herinneren. Ik bewaar een herinnering aan armen om me heen, armen die me tegen een zachte boezem drukken, die rook naar keukenvuur, schoonmaakmiddel en een of andere vaag bittere geur die ik niet meer kan thuisbrengen.[5]
  2. (figuurlijk) zwaar te verduren
    • In dat land is er nog steeds bittere armoede. 
  3. (figuurlijk) van teleurstelling en/of boosheid blijk gevend
    • Hij sprak mij aan met een bittere toon. 
     Terlouw besloot niet terug te keren in de Kamer en haalde zijn gram met de publicatie van een bitter dagboek. Na een periode in het buitenland werd hij tussen 1991 en 1996 commissaris van de Koningin in Gelderland. Het einde van zijn loopbaan stond, net als aan het begin, in het teken van het water: in 1995 liet hij wegens dreigende overstromingen het rivierengebied evacueren.[6]

bitter

  1. boos, verdrietig, teleurgesteld
     Op het puntje van haar stoel wachtte ze haar moment af. 'Er samen uitkomen, zei u?' antwoordde Jeroen bitter.[7]
    • Ik ben bitter in je teleurgesteld. 
  • Bitter in de mond, maakt het hart gezond
Gezegd van iets wat een vieze smaak heeft, maar wel gezond is
  • Bitter weinig
Erg weinig
 Dat hielp helaas bitter weinig. 
  • Een bittere pil
Iets wat moeilijk, onaangenaam en/of pijnlijk is
  • Tot het bittere einde
 We gaan door tot het bittere einde. 
  1.  Hierin wilde zij meevaren. Tot het bittere einde.[7]
1 enkelvoud meervoud
naamwoord bitter bitters
verkleinwoord bittertje bittertjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord bitter -
verkleinwoord - -

bitter

  1. (drinken) m en o jenever gemengd met een extract van kruiden of schillen
    • Lust je een bitter? 
  2. m een meststof verkregen uit roet
vervoeging van
bitteren

bitter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bitteren
    • Ik bitter. 
  2. gebiedende wijs van bitteren
    • Bitter! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bitteren
    • Bitter je? 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[8]
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
  • IPA: /ˈbɪtɐ/
  • bit·ter
stellend vergrotend overtreffend
bitter
bitterer
am bittersten
alle verbuigingsvormen

bitter

  1. bitter
stellend vergrotend overtreffend
bittermore bittermost bitter

bitter

  1. bitter