castigar
Uiterlijk
- cas·ti·gar
castigar
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| castigar |
castigaba |
castigado |
| volledig | ||
- overgankelijk straffen, bestraffen, afstraffen
- tuchtigen
- kwellen, kastijden, pijnigen
- verleiden, versieren
- beknotten, besnoeien
- zuiveren, kuisen, castigeren
- castigar in: Diccionario de la lengua española, 23e druk, op website: Real academia española