schuin
Uiterlijk
- schuin
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | schuin | schuiner | schuinst |
| verbogen | schuine | schuinere | schuinste |
| partitief | schuins | schuiners | - |
schuin
- in een niet-loodrechte richting
- betrekking hebbend op seks
- Hij zat weer schuine moppen te tappen.
1. niet-loodrecht
2. betrekking hebbend op seks
| vervoeging van |
|---|
| schuinen |
schuin
- Het woord schuin staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "schuin" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ "schuin" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ schuin op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be