Winterkoningen
| Winterkoningen | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Moeraswinterkoning (Cistothorus palustris) | ||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||
| ||||||||||
| Familie | ||||||||||
| Troglodytidae Swainson, 1831 | ||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||
| Winterkoningen op | ||||||||||
| ||||||||||
De winterkoningen (Troglodytidae) of winterkoninkjes zijn een familie uit de orde van de zangvogels. De naam Troglodytidae (holbewoners) verwijst naar het foerageergedrag in donkere plekjes en holletjes en de bouw van een bolvormig nest met een kleine opening aan de zijkant, dat ook weer op een holletje lijkt.
Kenmerken
[bewerken | brontekst bewerken]Het zijn kleine kwieke vogeltjes met een vrij lange staart die zij soms parmantig verticaal houden. Ze hebben een slanke, spitse, soms omlaaggebogen snavel. De lichaamslengte varieert van 8 tot 22 cm.
Leefwijze
[bewerken | brontekst bewerken]Hun voedsel bestaat voornamelijk uit insecten en andere ongewervelden. De vogels vliegen rechtlijnig, maar zelden leggen ze grote afstanden af. Ze bevinden zich vaak op de grond in de dichte ondergroei, waar ze hun prooien vangen.
Voortplanting
[bewerken | brontekst bewerken]Het mannetje maakt een bolvormig "speelnest" in zijn territorium. Is dit niet naar de smaak van het vrouwtje, dan maakt hij net zo lang een nieuw nest, totdat het vrouwtje haar goedkeuring geeft en het vervolgens van binnen afwerkt. Het legsel bestaat uit 2 tot 10 witte, gespikkelde eieren. De jongen worden door beide ouders gevoerd.
Verspreiding en leefgebied
[bewerken | brontekst bewerken]In Europa is er maar één soort (die ook in Noord-Amerika voorkomt):
- De winterkoning (oorspronkelijk: winterkoninkje) of klein jantje Troglodytes troglodytes
In Noord-, Midden- en Zuid-Amerika is de familie met meer dan 90 soorten vertegenwoordigd.
Taxonomie
[bewerken | brontekst bewerken]Deze familie behoort tot de superfamilie Certhioidea waartoe ook de boomkruipers behoren. De familie telt 96 soorten verdeeld over 19 geslachten:[1]
- Campylorhynchus von Spix, 1824 (15 soorten)
- Cantorchilus Mann, NI, Barker, Graves, JA, Dingess-Mann & Slater, PJB, 2006 (12 soorten)
- Catherpes Baird, SF, 1858 (1 soort: kloofwinterkoning)
- Cinnycerthia Lesson, 1844 (4 soorten)
- Cistothorus Cabanis, 1850 (5 soorten)
- Cyphorhinus Cabanis, 1844 (4 soorten)
- Ferminia Barbour, 1926 (1 soort: zapatawinterkoning)
- Henicorhina Sclater, PL & Salvin, 1868 (5 soorten boswinterkoningen)
- Hylorchilus Nelson, 1897 (2 soorten)
- Microcerculus Salvin, 1861 (4 soorten)
- Odontorchilus Richmond, 1915 (2 soorten)
- Pheugopedius Cabanis, 1850 (13 soorten)
- Salpinctes Cabanis, 1847 (1 soort: Amerikaanse rotswinterkoning)
- Thryomanes Sclater, PL, 1862 (1 soort: Bewicks winterkoning)
- Thryophilus Baird, SF, 1864 (5 soorten)
- Thryorchilus Oberholser, 1904 (1 soort: Browns winterkoning)
- Thryothorus Vieillot, 1816 (1 soort: carolinawinterkoning)
- Troglodytes Vieillot, 1809 (18 soorten w.o. de (gewone) winterkoning)
- Uropsila Sclater, PL & Salvin, 1873 (1 soort: witbuikwinterkoning)
- ↑ (en) Gill, F, D Donsker, and P Rasmussen (Eds). 2024. IOC World Bird List (v 14.2). https://www.worldbirdnames.org