vak
Uiterlijk
- vak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vak | vakken |
| verkleinwoord | vakje | vakjes |
het vak o
- (economie) beroep [1]
- Een vak uitoefenen.
- ▸ Het is maar goed dat ik het in mijn vak niet van de sympathie van anderen hoef te hebben.[4]
- ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvak
- ▸ Ze gaan: de rookmelders vervangen, de waterzuiveringstank van vak 2 vervangen en een nieuwe tank installeren in vak 3 van het wateropslagsysteem, de badkamer en keuken schoonmaken, het toilet-dat- steeds-stukgaat repareren.[5]
- ▸ "Het dier was gelukkig ongedeerd, maar wel heel blij toen hij uit het vak gered werd", meldt de politie.[6]
- (onderwijs), (wetenschap) specifieke tak binnen de wetenschap, discipline [2]
- ▸ Het komt vaak voor dat docenten gevraagd wordt om een vak te geven waar ze niet bevoegd voor zijn.[7]
|
|
- Een oude rot in het vak (zijn)
alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen
2. ingedeeld stuk
- Het woord vak staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "vak" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[8] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "vak" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ vak op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑ Samantha Harvey“In Orbit” (2024), De Bezige Bij
, ISBN 9789403135625 - ↑
Weblink bron “Politie redt hond uit garderobelocker slot Neuschwanstein.” (7-7-2025), NOS - ↑
Weblink bron “Onbevoegden zijn gefrustreerd over hun opleiding” (7 februari 2015), het Onderwijsblad - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vak | vakke |
vak
- vak; schoolvak, leervak
- «My gunsteling vak is Afrikaans.»
- Mijn lievelingsvak is Afrikaans.
- «My gunsteling vak is Afrikaans.»
- vak; ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvak
- «Die dokumente op sy lessenaar is netjies in vakkies geliasseer.»
- De documenten op zijn lessenaar zijn netjes in vakjes gearchiveerd.
- «Die dokumente op sy lessenaar is netjies in vakkies geliasseer.»
- vak; beroep
- «Die verwer ken sy vak.»
- De schilder kent zijn vak.
- «Die verwer ken sy vak.»
- IPA: /vak/
- vak
- Afgeleid van het Middelhoogduitse wâtsack
- zak, buidel; slappe, vormeloze container
- (zoötomie) buidel; huidplooi bij buideldieren waarin de jongen zich ophouden
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| nominatief | vak | vaky |
| genitief | vaku | vaků |
| datief | vaku | vakům |
| accusatief | vak | vaky |
| vocatief | vaku | vaky |
| locatief | vaku | vacích |
| instrumentalis | vakem | vaky |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
vak
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 3
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Economie in het Nederlands
- Onderwijs in het Nederlands
- Wetenschap in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %
- Woorden in het Afrikaans
- Zelfstandig naamwoord in het Afrikaans
- Woorden in het Tsjechisch
- Woorden in het Tsjechisch met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Zoötomie in het Tsjechisch
- Mannelijk zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Onbezield mannelijk zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Woorden in het Tyap
- Woorden in het Tyap met audioweergave
- Woorden in het Tyap met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Tyap